Sjembek

Buitenspel

Er zijn slechtere plekken om te wonen en te verblijven dan Nijmegen. Maar dat wil niet zeggen dat alles goed is. Er is veel mis in de stad en in die modderpoel walst de ijdelheid van de politiek in zelfgenoegzaamheid. Maar ik kan me ook ergeren. Zonder zelfgenoegzaamheid, zonder eigenbelang: alleen omdat ik vind dat de stad af en toe een muk is, een rund, dat er eens flink van langs moet hebben. En zo’n muk is nou een sjembek!

Uitgave september 2017
Foto: Mariska Hofman

Het doet pijn.

Wippende blonde staartjes, fraaie passeerbewegingen, rake schoten, een lange sprint, de voorzet. En vooral scoren, juichen, zingen. Een oranje lint van feestende mensen die al zingend naar het stadion lopen. Kinderen, ouders, moeders, vaders.

Laten zien hoe je in het zuiden en oosten van ons land met iets groots kunt omgaan, omdat hier enthousiasme, warmte en vriendschap in de voren van het landschap zijn ingezaaid en ondergeploegd. Hoe hier iets wél groots wordt als je het ver buiten de grijpgrage klauwen van de cynische grachtengordel houdt, waar alles wordt omarmd, leeggezogen en dan als grof vuil in de hoek wordt gesodemieterd.

Het doet pijn als fantastische vrouwen, een nest leeuwinnen, heel natuurlijk een land gek kunnen maken en 2017 trakteren op tot een tropische, zinderende zomer. Vrouwenvoetbal als een onvergetelijke zomerhit. Dat doet pijn.

Vreselijk pijn, als je als Nijmegen buitenspel staat. Je niet mee mag doen, niet mag delen, niet voor je eigen voordeur mag genieten, niet mag slurpen uit de feestbeker, je niet in je eigen stad mag wentelen in het kolkende wij-gevoel. En waarom?

Af en toe, als ik enthousiast na een voetbalwedstrijd diep in de derde helft duik en onrustig slaap, dan gebeurt het. Ik ga dromen. Van voetbal. Het zal de drank zijn, maar dan zie ik burgemeester Bruls in korte voetbalbroek als nummer 10, zie ik wethouder Bert Veldhuis natuurlijk als linksbuiten. Ook in korte broek.

Zwetend word ik wakker. Een nachtmerrie met een rillende kater. Dan weet je het zeker. Dit gemeentebestuur houdt niet van voetbal. Voor geen meter. Voor geen elf meter. Daarom hebben we langs de oranjepot gepiest.

De Goffert was opgesteld. Nee, het gaat niet liet de nummer 10, de spelverdeler van het gemeentehuis weten. Daar hebben we met de Vierdaagse geen politie voor, was een argument. Tijdens een radioreportage over de wedstrijd in Doetinchem ontdekte de verslaggever één motoragent die de bus met de speelsters de weg naar het stadion moest wijzen.

Eén agent.

Doetinchem. Een leuk provinciestadje wordt in één klap een Gelderse wereldstad. Beroemd in Gelderland, in Nederland en tot ver over de grens door de talrijke tv-ploegen die de Achterhoek hebben ontdekt.  Daar kan geen pr-campagne tegenop, geen miljoen toeristenlokdoosjes. Altijd Nijmegen. Me hoela: altijd Doetinchem!

Filosofen hebben het over de behoefte aan gemeenschappelijke emotionaliteit. Voetbalvrouwen als remedie voor maatschappelijk onbehagen, als familie-uitje. In optocht naar het stadion, lekker samen pa, ma en de kinderen op de tribune en daarna feestend naar huis. Wat had dat prachtige Nijmegen hier kunnen schitteren.

Het is ons Nijmegenaren niet gegund. Bij NEC zijn ze al lang op de hoogte van de aversie van de bestuurders in deze stad tegen voetbal. Je mag tonnen, miljoenen door het kunstriool van het Valkhofmuseum wegspoelen. Ome Bert zorgt wel voor nieuwe aanvoer. Maar praten over een betaalbare prijs voor de verkoop van stadion de Goffert. Ho maar.

Voetbal is geen kunst. Voetbal is volks, is van ons, geeft ons een wij-gevoel, de remedie om negentig minuten even alles te vergeten en je te verzwelgen in een ballet van dribbelende, en enthousiast swingende voetballende blonde staartjes en straks een top draaiend NEC.

Al zet het gemeentebestuur de Goffert tien keer buitenspel. Het lukt niemand om dat genieten, om die lach van ons gezicht af te krijgen.